Woordenlijst

Van boven naar beneden:
Klavier, wellenbord en windlade
Wellen
Ventiel in windlade
Bahlman-huispijporgel (1987)

Abstract-dun latje met een metalen oog aan het uiteinde dat de verbinding vormt tussen toets en wel.

Bakstukken-de blokjes hout aan beide zijden van het manuaal.

Balg
-windpompinrichting en/of windreservoir van het orgel.

Blokwerk
-Het pijpwerk - één grote mixtuur -  staat opgesteld op de tooncancellen zonder slepen. Hierbij kon niet worden   geregistreerd. Men treft ze aan tot in de 16e eeuw.

Chamade
-register dat horizontaal aan de buitenzijde tegen de orgelkas staat. Vrijwel altijd uitgevoerd als Trompet of Klaroen.

Dubbellade-Een windlade bestaande uit een niet afzetbaar deel, "het doof"

Elektro-pneumatische tractuur-combinatie van pneumatiek en elektrotechniek, waarbij het contact tussen toets en pijp tot stand wordt gebracht.

Intonatie-Een bewerking aan de orgelpijp waardoor de pijp het gewenste klankkarakter krijgt.

Klaviatuur-speeltafel.

Mechanische tractuur-
De verbinding tussen windladen en toetsten, windladen en registerknoppen d.m.v. wellen, abstracten en winkelhaken.

Open pijpopstelling-De pijpen van het orgel worden los in de ruimte opgesteld, zonder dat er een kas om is gebouwd.

Pneumatische tractuur-verbindingssysteem tussen speeltafel en windlade dat bestaat uit een stelsel van dunne loden buizen, waarin door het neerdruken van een toets of het openen van een register orgelwind wordt gestuwd, die de opening tot de pijpvoet openblaast.

Portatief-
Heel klein orgeltje dat met de rechterhand bespeeld wordt, terwijl de linkerhand het balgje bediend waardoor en lucht komt; het wordt hiertoe op het linkerdijbeen geplaatst.

Positief-Klein orgel dat zonder gehele demontage verplaatst kan worden.

Regaal-
Oud toetsinstrument met uitsluitend kortbekerige tongpijpjes. Is ook een tongwerk-register op kerkorgels.

Registercancel-
Langwerpig vak of koker in de windlade, waarop alle pijpen staan die tot één register behoren. Zie ook Tooncancel.

sleeplade-Windlade met daarin slepen. Als men een register uittrekt, dan verschuift de sleep, waardoor de wind, bij geopend speelventiel, door de gaten kan stromen.

Subkoppel-Koppel waarbij dezelfde toets een octaaf hoger laat meespreken.

Superkoppel-Koppel waarbij dezelfde toets een octaaf lager laat meespreken.

Springlade-Historische windlade en heeft i.p.v. slepen in de tooncancellen ventielen met veren onder de toongaten. Bij het 'trekken' van een register drukt een regel van deze ventielen (van hetzelfde register) d.m.v. drukpennen neer.

Transmissie-
een van een ander afgeleid register. Dit register maakt gebruik van hetzelfde pijpwerk dan het gelijknamige register op bijv. het Hoofdwerk.

Tooncancel
-Langwerpig vak of koker in de windlade, waarop alle pijpen staan die tot één toets behoren. Zie ook Registercancel

Tremulant-Inrichting in of op het windkanaal, die dient om regelmatig golvingen in de windtoevoer tot het pijpwerk te veroorzaken.

Ventiel-Klep, belijmd met schapeleer, die de wind toelaat tot de pijpvoet of de toevoer ervan afsluit.

Wel-Ronde metalen as of houten as die in klosjes draait op het wellenbord en waaraan twee armpjes gemaakt zijn, één verbonden met de abstract en de andere met het ventiel.

Windkanaal-
Houten koker, waardoor de wind van de balgen naar de laden wordt gevoerd.

Windlade-
Hart van het orgel; de inrichting waar de door de windkan alen aangevoerde wind over de pijpen verdeeld wordt.

Zwevende mechaniek-Het basisprincipe is dat men één onderdeel van de mechaniek beweegbaar maakt, waardoor alle abstracten in één keer worden gespannen. Daarvoor gebruikt men in de meeste gevallen een winkelhaakregel of het blinde klavier.

Terug